De Goede Week

8 april 2015

Ik herinner het mij nu plots terug. Ik was tien jaar oud (?) jong (?), zeg maar kind. Leerling in het vijfde leraar bij wijlen meester William Vanhove. In die tijd - we schrijven het jaar onzes Heren 1950 - was meester Vanhove een gekend declamator en toneelspeler. Heel wazig, in een wolk van nostalgisch verleden, herinner ik mij, hoe hij ooit de hoofdrol vertolkte in een theaterstuk over de profeet Jeremias. Ik begreep er echt niet alles van, maar de ascetische figuur van meester Vanhove, met zijn Jeremias-boetekleed aan en zijn sterk geprononceerde gelaatstrekken, zijn mij altijd bijgebleven. Dit was even een tussendoortje. Wat ik wilde zeggen, vooraleer ik de logische vertelpedalen verloor, had (heeft) te maken met de Goede Week.

De Lijdense Week

Het was de na-oorlogse tijd, waarin de religie, in de schoolvakken, nog een uitermate grote rol speelde. Wij hadden in het vijfde leerjaar liefst drie godsdienstige vakken: het algemene vak godsdienstleer, grotendeels gesteund op de precies vierhonderd zevenenveertig vragen en antwoorden van de Mechelse catechismus. Je had daarin gegradeerde moeilijkheidsvragen tussen 1 en 6. En, o wee, vragen (qua moeilijkheidsgraad) buiten categorie. Geduid met een venijnig sterretje. Die 447 vragen werden wij geacht, op het einde van het zesde leerjaar, rimpelloos te kunnen afdreunen. Een geheugenverschrikking was het. Daarnaast hadden wij ook het vak: gewijde geschiedenis. Een verhalenhemel na de helletocht van die 447 vragen.
Wonderbaarlijke, mysterieuze, intrigerende verhaal- en vertelstonden: Adam en Eva, Kaďn en Abel, Abraham, Isaac, de tocht van Mozes door de woestijn, de verovering van Jericho, David, Salomon, de vernieling van de tempel en zo veel andere gewijde stories uit het Oude Testament.
Daarna het hele nieuwe Testament: Mattheus, Lucas, Marcus, Johannes samen in een groot verhaal dat ons leidde naar de tragedie van Golgotha en de bevrijding van de Verrijzenis.
De sonore stem van meester Vanhove bezorgde ons meerdere malen echt kippenvel. Nee, met zulke verteller en zijn vertelkunst, hadden wij echt geen tv-beelden nodig. Zijn woorden creëerden beelden op ons netvlies, die wij tot op vandaag nog altijd in herinnering en tedere stilte meedragen.
En dan had je het leervak: Liturgie. Daarin leerden wij (uiteraard van buiten) de hele liturgische tocht doorheen het kerkelijk jaar. Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Allerheiligen, waren de ijkpunten van onze tijdskennis. Daarnaast had elke dag zijn heiligen: primusheiligen en tweedehandsheiligen (zeg maar religieuze discriminatie). Onze verjaardagen waren toevalligheden en kregen weinig echte aandacht. Feestelijk waren de naamfeesten. Met fierheid droegen wij onze heiligenvoornaam. Jullie redacteur had geluk of ongeluk, de heilige Hugo werd gevierd en gelauwerd op 1 april, je weet wel… nimmer heeft men mij kunnen “verzenden”. Ik was te attent gefixeerd op die eerste april. Dit was “mijn” superdag, mijn “coolday”.

Waar blijft die Lijdense Week? Verzonden?

Nee, wees gerust. Hier hoort zij. Het laatste proefwerk van de examenperiode van Pasen 1950 viel op de eerste dag van de Goede Week. Op maandag dus. Dit proefje was het vak liturgie. Ik was echt goed voorbereid. Ik loste de vraagjes op als waren het leuke kinderversjes of prachtige feeërieke verhaaltjes. Tot de laatste vraag kwam: “Hoe benoemt men de week waarin Jezus Christus stierf aan het Kruis?”
Ik had het geleerd (uit het hoofd): de Goede Week. Het leek dus een perfect liturgie-examen. Maar dit was zonder rekening te houden met een klein kantje van jullie redacteur: zijn taalkoppigheid (die rispt ook nu en dan nog eens op tijdens het schrijfwerk voor Kerk & Leven).
Nee, ik kon het niet neerschrijven. Stel je voor, een Goede Week: het verraad van Judas, de aanhouding van Jezus in de tuin van Getsemane, het in slaap vallen van Petrus, Johannes en Jakobus (Kunnen jullie niet een uur met mij waken?), de verschijning voor de opperpriester Kaďfas, voor Pilatus, de lijdenstocht van Jezus doorheen Jeruzalem, het verraad van Petrus, de kruisdood. Noem dat dan eens als tienjarige: Goed.
Nee, ik wou dat niet neerschrijven. Ik doopte koppig mijn ballonpen met stok en al in de voor mij staande inktpot en kladderde als antwoord neer: de Lijdense Week. Uiteraard een eigen-maaksel-woord.
Maar… ik was voldaan. Later kregen wij ons verbeterd proefje terug. Een nijdige rode inktstreep was doorheen “Lijdense Week” getrokken. Ik moest het stellen met 16/20. Grote onderscheiding zou dat aan de universiteit zijn geweest. Voor mij was dit grootste onderscheiding. Ik had mijn zinnetje kunnen doen. Ik blik er nog elke Goede Week met voldoening op terug. Keikoppig jawel, maar ook keien kunnen genadig zijn.

Met vader doorheen de Goede (Lijdense) Week

In Kerk & Leven hebben jullie de programmatie gevonden van de liturgie gedurende de Goede Week. Ook op onze prachtige federatiefolder kon je ze lezen. Ik heb die programmatie eens vergeleken met deze van een kind van tien jaar in de Goede Week anno 1950. Even summier toelichten: Palmzondag: met vader, moeder, broer en zus naar de heilige mis om 10 uur in de Sint-Elooiskerk. Een lange, ach zo lange, viering. Lezing van het lang evangelie volgens Marcus. Priesters met de rug naar de kerkgangers. Na de lezing, nog een lange (preek) homilie. Grote goedmaking voor ons lange wachten: het krijgen van een bos stevige palmtakken. Opperste moment van de dag: eens thuis gekomen, met vader aan het hoofd, doorheen het ganse huis wandelen, een weesgegroetje bidden en een klein palmpje aanbrengen achter elk kruisbeeld in elke kamer. Kortom, van kelder tot zolder. Dit blijft enig en onvergetelijk.

Maandag, dinsdag, woensdag: met vader en broer Jan, drie ochtenden naar de heilige mis van zes uur (jawel, in de morgenstond die niet altijd goud in de mond had). Drie evangelielezingen uit Johannes. Ik heb ze herlezen een dezer dagen. Ze raakten mij als een zalige explosie van geloof, hoop, liefde en… zoekende twijfel.

Witte Donderdag: dienst van Witte Donderdag om zes uur (opnieuw in de morgen). Mysterieus heen vlieden van de klokken naar Rome. Geloof of ongeloof? Allebei een beetje.
In de loop van de schooldag, bezoek met de klas aan alle kerken van Kortrijk-stad. Een religieuze wandeltocht “avant la lettre”.
En… 's avonds, met moeder en vader, bezoek aan de etalages van de winkels. Hoogdag vooral voor moeder. Wij liepen er nu en dan bij voor spek en bonen. Gelukkig waren er tussendoor de paaseitjes.

Goede Vrijdag: om zes uur (nog altijd in de morgen) waren wij weer present met vader en broer. Geen echte eucharistieviering: wel een ellenlange voormis met lezingen, met het passieverhaal van Johannes.
Daarna verering van het Heilig Kruis, gevolgd door de communiedienst met vroeger geconsacreerde hosties, met alleen communie voor de priesters(!).

Paaszaterdag: de paaswake. Present in de Sint-Elooiskerk om 6 uur in de morgen, met vader en broer. Voor de lichtviering, gebed en onderricht, de doopselviering en de verrijzenismis. Even een specificatie: het gebed en onderricht bevatte twaalf lezingen, precies 26 pagina's uit onze volksmissaal (kleine lettertjes). De dienst duurde ongeveer twee uur.
En… daarna was de vasten ten einde. Gedaan met verstervingetjes, gedaan met vleesderven op woensdag en vrijdag. Terug ons snoepje op zondag!
Hoera, op naar het paasfeest.

Paasfeest: Verrijzenis van onze Heer Jezus Christus. Plechtige eucharistieviering om 10 uur. Daarna of daarvoor: Eieren rapen in ons piepklein tuintje in de Antoon Van Dycklaan. En… 's middags… moeder had de ganse zaterdag aan het fornuis gestaan… een lekkere paasmaaltijd. Stel je voor: kip met frietjes. Heerlijk. 's Namiddags echter nog de paasvespers. Laatste hindernis van een goede (maar ook Lijdense) week.
Zo was het en wij vonden het tegelijk mysterieus, fijn en het blijft in ons leven aanwezig als een zachte, weemoedvolle herinnering.