125 jaar Sint-Elooiskerk

Sporen van het verleden - Schatten op zolder - Kortrijkse neogotiek - De Mariakapel vernieuwd - Een nieuw interieur voor een nieuwe liturgie - Oorlogsleed

Sporen van het verleden

Toen het stadsbestuur van Kortrijk in de jaren 1870 besliste om op Overleie een nieuwe parochie op te richten, werd ervoor geopteerd een kerk te bouwen op de plaats waar al bijna vier eeuwen een kapel stond, toegewijd aan Sint-Elooi. Deze kapel werd in 1882 afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe kerk. Van het gebouw zelf is dus niets overgebleven, maar in de huidige kerk treffen we wel nog een aantal kunstvoorwerpen aan die afkomstig zijn uit de Sint-Elooiskapel.

Meest in het oog springend zijn drie eikenhouten beelden: het grote Sint-Elooisbeeld en de beelden van de heilige Joachim en de heilige moeder Anna. Deze beelden stonden in de Sint-Elooiskapel op een altaar en werden druk vereerd. Sint-Elooi is afgebeeld als bisschop met mijter en staf. In zijn rechterhand draagt hij een hamer met kleine kroon erop, attribuut van de edelsmid. De beelden dateren uit de zeventiende eeuw en zijn in barokke stijl. Kenmerkend hiervoor zijn de ruim gedrapeerde gewaden en bij de beelden van Joachim en Anna de expressieve bewegingen en gelaatsuitdrukking.

In de Sint-Elooiskapel hingen er drie klokken. Twee daarvan werden meegegeven aan de klokkengieter die in 1894 de klokken voor de nieuwe kerk leverde. De grootste klok uit de kapel, genaamd Elooi, werd in 1921 teruggevonden in de kolenkelder (!) en werd opgehangen in een nis achter het hoofdaltaar om tijdens de missen de consecratie aan te kondigen. Na de vernieuwing van het koor in 1973 werd de klok zichtbaar in het koor geplaatst. De klok werd in 1657 gegoten door de befaamde klokkengieter Michel Blampain.

Ook onder het edelsmeedwerk treffen we enkele eeuwenoude objecten aan, waarvan de herkomst echter niet altijd duidelijk is. We vermelden een zilveren kelk met onder op de voet gegraveerd: ST. ELOY VAN KORTRIJK 1626.

Als we het even hogerop gaan zoeken dan komen we bij de torenhaan terecht, waarin het jaartal 1859 gegraveerd is, en die waarschijnlijk ook afkomstig is van de Sint-Elooiskapel.

Tenslotte is er nog een tweede Sint-Elooisbeeld dat afkomstig is uit de Sint-Elooiskapel. Daarover meer in de volgende bijdrage.

Schatten op zolder

In onze Sint-Elooiskerk treffen we heel wat afbeeldingen aan van onze patroonheilige. Het meest in het oog springende is het twee meter hoge eikenhouten beeld, afkomstig uit de Sint-Elooiskapel. Verder is er een gepolychromeerd gipsen beeld, vervaardigd door de Kortrijkse beeldhouwer Jozef Lelan, die ook de neogotische preekstoel ontwierp. Dit beeld staat links achteraan in de kerk bij de groep met andere heiligenbeelden. Bemerk dat aan de voeten van de heilige een paard is uitgebeeld, attribuut van de hoefsmid. Een derde beeld is een gepolychromeerde houten buste uit de zeventiende eeuw, die momenteel in de sacristie staat.

De merkwaardigste uitbeelding van Sint-Elooi is echter het kleine beeld (96 cm hoog) in gepolychromeerd hout . Om veiligheidsredenen is het beeldje niet permanent in de kerk te bezichtigen. Uit een artikel van onze vroegere archivaris, de hr. F. Lintermans, distilleerden we het wedervaren van dit beeldje.

Het interieur van de Sint-Elooiskapel, die in 1882 werd gesloopt om plaats te maken voor de nieuwe kerk, was zeer waardevol. De muur waartegen het altaar stond, was volledig met een houten bekleding en beeldhouwwerk bezet. Middenin stond een houten beeldje van Sint-Elooi. In de jaren 1890 deed Jules Desauw, een loodgieter uit de Overleiestraat, die een herstelling moest uitvoeren aan de dakgoten van de Sint-Elooiskerk, een vondst op de zolder van de kerk: een gepolychromeerd houten beeldje van Sint-Elooi. Het beeldje was blijkbaar te klein bevonden om in de grote kerk te staan. Jules Desauw, getroffen door de schoonheid van het beeldje, vroeg aan de pastoor om het te mogen kopen. Na raadpleging van de kerkraad stemde de pastoor hiermee in. Jules Desauw was gehuwd met Lťonie Vandenweghe. Na hun dood belandde het beeldje bij hun nicht Anna Vandenweghe. Zij was gehuwd met Elomier Boone. Zij verbleven te Gent en waren scheepsbevrachters-schippers. In 1914 voeren ze met hun binnenschip naar Frankrijk, waar ze tot het einde van de oorlog verbleven. Vůůr hun afreis gaven ze het beeldje in bewaring aan het echtpaar Callens-Foulon, muziekhandelaars in de Onze-Lieve-Vrouwstraat te Kortrijk. Na de oorlog in 1918 haalden ze het beeld terug om het opnieuw in hun huis in Gent te plaatsen. De heer en mevrouw Callens hebben meermaals gezegd dat zij tijdens de oorlog beschermd werden door het Sint-Elooisbeeldje.

Na hun dood veranderde het beeld opnieuw van eigenaar. Het kwam uiteindelijk terecht bij het echtpaar Holvoet-Dupas uit Kortrijk. In 1992, toen E. H. Lambrecht en E. H. Claerhout team vormden op de parochie, werd in de kerk een tentoonstelling georganiseerd onder het thema ĄUit de archieven van Sint-Elooi". De archivaris F. Lintermans trachtte ook het beeldje in bruikleen te krijgen. E. H. Lambrecht nam contact op met deken Decoene van Izegem, voormalig medepastoor op Sint-Elooi. Deze bevestigde de intentie van de eigenaars ooit het beeldje aan de parochie terug te schenken en stelde voor contact op te nemen met mevr. Aline Holvoet-Dupas. Tijdens een onderhoud met E. H. Lambrecht verklaarde zij zich bereid het beeldje aan de SintElooisparochie te schenken. Zij tekende een schriftelijke afstand van het beeldje, dat in aanwezigheid van de milde schenkster tijdens de hoogmis van 22 november 1992 officieel in bezit werd genomen door de parochie.

Kortrijkse neogotiek

De Sint-Elooiskerk werd door stadsarchitect Leopold De Geyne (1836-1916) ontworpen in neogotische stijl. Deze bouwstijl ontstond in de negentiende eeuw als reactie op de strakke, koele vormen van het classicisme met haar uitgesproken rationele karakter. Onder invloed van de romantiek greep men terug naar de middeleeuwen, waarvan de gotiek als de ultieme uiting beschouwd werd. Ook de roomskatholieke kerk bevorderde deze stijl. Tegenover het opkomende liberalisme wilde de kerk tonen dat ze nog springlevend was, en daarom werden kerken gebouwd in een stijl die aanknoopte bij de christelijke middeleeuwen. Er werden echter ook burgerlijke gebouwen in neogotische stijl gebouwd of herbouwd, zoals het stadhuis van Kortrijk.

Bij een eerste aanblik van de Sint-Elooiskerk vallen meteen enkele kenmerken van de neogotiek op, namelijk de puntgevels en spitsbogen. Maar niet alleen het gebouw zelf is neogotisch. Er werd gestreefd naar een harmonisch geheel door ook het kerkmeubilair (altaren, doopvont, preekstoel, biechtstoelen enz.) in dezelfde stijl te vervaardigen.

In deze bijdrage willen we de aandacht vestigen op het houten kerkmeubilair dat werd vervaardigd door drie Kortrijkse kunstenaars.

Victor-Leopold Sagon had een woning met atelier aan de Fabriekskaai. Wie vertrouwd is met het Overleie van voor de Leiewerken herinnert zich misschien nog de gevelversieringen die hij aanbracht aan enkele (inmiddels afgebroken) huizen van de Fabriekskaai. In de Sint-Elooiskerk vinden we twee lezenaars en een paaskandelaar van zijn hand.


De preekstoel werd gemaakt in het atelier van Jozef Lelan. Bij de vernieuwing van het koor in 1973 werd deze preekstoel verwijderd. Door de liturgische vernieuwing na het tweede Vaticaans concilie hadden altaar en koor de centrale plaats gekregen. In de homilie werden de gelovigen ook niet meer toegesproken vanop een hoge kansel, maar van aan het altaar of een lezenaar in het koor. In veel kerken verdween dan ook de preekstoel. De waardevolle preekstoel van de Sint-Elooiskerk werd echter niet verbannen naar een of andere bergplaats, maar werd geÔntegreerd in het nieuw kerkinterieur: de kuip van de preekstoel werd omgevormd tot altaar en de voet tot lezenaar. Later werden de engelen van het baldakijn gebruikt voor het altaar van de Mariakapel.

Tenslotte zijn er nog de vier biechtstoelen van de hand van Victor Sileghem. Het zijn als het ware neogotische mini-gebouwtjes met alle kenmerken van deze stijl: puntgevels, spitsbogen en kleine torentjes of pinakels.

De Mariakapel vernieuwd

Wie de laatste dagen de Mariakapel bezocht, zal gemerkt hebben dat de kapel een opknapbeurt krijgt. Er werd nieuwe verlichting geÔnstalleerd, de wand achter het altaar is geschilderd en binnenkort wordt de verwarming vernieuwd. Inmiddels is zuster Ann, onze onvolprezen koster, bezig met het zorgvuldig reinigen van de muren en de kostbare kunstwerken. Het is zeker de moeite waard om de Mariakapel in ere te houden, want al worden er geen weekdagmissen meer gecelebreerd, de kapel behoudt haar betekenis: voor veel gelovigen is het de ideale ruimte voor een moment van bezinning en gebed, de doopkruikjes worden er bewaard tot ze op Lichtmis aan de ouders van de dopelingen worden meegegeven, het is de repetitieruimte voor het Sint-Elooiskoor, en af en toe is er een rouwdienst in beperkte kring.

We maken van de gelegenheid gebruik om terug te blikken op de oorsprong van de Mariakapel. In de jaren 1970 werd in veel kerken een ruimte binnen de kerk afgebakend of een aparte kapel ingericht als zogenaamde winterkapel. Dat had enerzijds een praktische reden: men stelde vast dat het aantal gelovigen in de weekdagmissen afnam, en om te besparen op energiekosten (het was de periode van de eerste oliecrisis) wilde men vermijden het hele kerkgebouw te moeten verwarmen voor een klein aantal aanwezigen. Anderzijds wilde men ook het gemeenschapsgevoel versterken door de gelovigen samen te brengen in een kleinere ruimte, liever dan ze verspreid te zien in het grote kerkschip.

In de Sint-Elooiskerk werd gedurende enkele jaren de sacristie als winterkapel gebruikt. Er werd een altaar geplaatst dat medepastoor Jozef Decoene bij zijn zilveren priesterjubileum van de parochiegemeenschap als geschenk had gekregen. Het altaar was vervaardigd uit onderdelen van de vroegere communiebank, met op de hoeken vier engelenbeelden afkomstig van de preekstoel.

Omdat de sacristie toch een eigen functie heeft, werd uitgekeken naar een andere oplossing. Links van het koor bevond zich altijd al een bergruimte, die in de jaren zestig aanzienlijk was uitgebreid. Er werd besloten om een deel van deze ruimte te verbouwen tot winterkapel. De parochiegemeenschap hielp zelf materieel en financieel om de kapel af te werken. Het altaar was er al: het jubileumgeschenk van Jozef Decoene. Ook medepastoor Arnold Lambrecht vierde zijn zilveren priesterjubileum en ook hij koos een geschenk dat aan de parochiegemeenschap ten goede kwam: een tabernakel voor de nieuwe kapel. De winterkapel kreeg de naam Mariakapel en werd ingewijd ter gelegenheid van de Sint-Elooisviering op 5 december 1981.

Het bijzondere aan de inrichting van de kapel is dat vrijwel alle decoratieve elementen op een of andere manier gerecupereerd werden: het kruisbeeld is afkomstig van de preekstoel, de zetels van het oud koorgestoelte, het wijwatervat uit de vroegere Jongelingenkring. En dan zijn er de muurreliŽfs, die onderdelen waren van vroegere altaren.

Het grootste reliŽf is afkomstig van het Sint-Antoniusaltaar. Dit altaar bevond zich onder het grote brandglasraam langs de noordzijde van het transept. Het werd reeds in de jaren vijftig weggenomen, omdat het hinderlijk was bij de communie-uitreiking. De retabels werden echter zorgvuldig bewaard. Het retabel in de Mariakapel bestaat uit drie taferelen: in het eerste wordt de dood van de H. Antonius van Padua uitgebeeld, in het tweede tafereel kust de H. Bonaventura de tongreliek (tweeŽndertig jaar na de dood van de H. Antonius werd zijn lichaam opgegraven en bleek de tong nog gaaf) en in het derde tafereel wordt het reliekschrijn in processie rondgedragen.
We zien nog twee andere reliŽfs in de kapel: de dood van Sint-Jozef en een PiŽta. Ze zijn afkomstig van de twee zijaltaren die bij de koorvernieuwing in 1973 werden verwijderd: het Sint-Jozefsaltaar bevond zich waar nu de ingang van de sacristie is en het Maria-altaar waar nu de doorgang naar de Mariakapel is.

In de Mariakapel staat ook een beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Montechiari, ook bekend als de Rosa Mystica. De Mariabeelden uit dit Italiaans bedevaartsoord zijn normaal zogenaamde pelgrimerende madonnaís, d.w.z. dat een beeld doorgaans nooit langer dan negen dagen op dezelfde plaats blijft. Enkele gelovigen uit Kortrijk beijverden zich ervoor om een beeld definitief naar onze stad te brengen. Dat gebeurde in 1981, toen het beeld op Lichtmis aan de Sint-Elooisparochie werd geschonken.

Tot slot: voor wie zich afvraagt wat er zich achter de twee deuren in de rechterwand van de kapel bevindt, lichten we graag een tipje van de sluier: achter de ene deur bevindt zich wat overblijft van de oorsponkelijke bergruimte, en achter de andere deurÖ het archief, waaruit we de inspiratie putten voor deze artikelenreeks.

Een nieuw interieur voor een nieuwe liturgie

Het tweede Vaticaans concilie (1962-1965) zorgde voor een grondige vernieuwing van de liturgie. De Kerk beschouwde de liturgie niet langer als het werk van ambtsdragers alleen, maar van heel het godsvolk, en dus probeerde men de gelovigen dichter bij de liturgie te betrekken. Dat gebeurde op de eerste plaats door de volkstaal in te voeren en de priester de mis te laten celebreren met het gezicht naar de gelovigen gekeerd. Het oude hoogaltaar was niet langer het liturgisch centrum, maar fungeerde voortaan als sacramentsaltaar waar de geconsacreerde hosties worden bewaard. Dichter bij de gelovigen werd er een nieuw dienstaltaar geplaatst. De communiebank, die het hoogkoor afsloot en een barriŤre vormde tussen de priester en de gelovigen, werd veelal weggenomen. Ook het prediken vanop de preekstoel, symbool voor de berg van waarop Jezus predikte, werd als te afstandelijk ervaren. In veel kerken werd ook de doopvont uit de doopkapel gehaald en in het koor van de kerk geplaatst.

In onze Sint-Elooiskerk was het eerste zichtbaar teken van de vernieuwing het plaatsen van een nieuwe altaartafel vooraan in het hoogkoor. Na veel wikken en wegen, na veel overleg en discussie, werd er in 1973 een grote kooraanpassing uitgevoerd, waarbij het koor als het ware tot een groot podium werd uitgebouwd. De zijaltaren werden verwijderd. Zoals we in vorige bijdragen schreven, werden veel onderdelen van wat verwijderd was terug geÔntegreerd in het nieuwe kerkinterieur: onderdelen van de preekstoel werden gebruikt voor altaar en lezenaar, de triptieken van de zijaltaren werden in de muren van de kruisbeuk aangebracht, terwijl andere reliŽfs enkele jaren later in de Mariakapel een plaats vonden.

Niet alleen de vernieuwing in de liturgie zorgde voor verandering in het interieur van de kerken. Er was ook een sterke tendens naar versobering. Vooral neogotische kerken werden hiervan het mikpunt. De neogotiek verwees immers naar een periode waarin de macht van de kerk hoogtij vierde, en dat triomfalisme was voorbijgestreefd. Bovendien waren veel neogotische kerken overdreven gedecoreerd in de zogenaamde Saint-Sulpicestijl, die als kitscherig werd beschouwd. Deze hang naar soberheid uitte zich in het wit schilderen van de veelkleurige kerkinterieurs en het verwijderen of overschilderen van allerlei beeldhouwwerken.

In de Sint-Elooiskerk werden veel muurversieringen al omstreeks 1960 overschilderd. Let u op de foto van het Sint-Elooisbeeld even op de achtergrond, dan krijgt u een idee van de vroegere muurdecoraties. In 1979 werden er opnieuw grote schilderwerken uitgevoerd. Tijdens deze werken gingen de liturgische diensten door in het parochiaal centrum. Het kerkinterieur kreeg het uitzicht dat we nu nog altijd hebben: een stralend heldere ruimte.

Trends komen en gaan, en tegen het einde van de twintigste eeuw groeide de waardering voor de neogotiek en werd hier en daar teruggekeerd naar de vroegere aankleding van de kerken. Dat gebeurde ook voor een aantal kunstwerken in onze kerk: ter gelegenheid van het jubileumjaar 2002 (125 jaar parochie) werden het hoofdaltaar en de triptieken in de kruisbeuken op initiatief van pastoor Patrick Degrieck gerestaureerd en in hun oorspronkelijke polychrome luister hersteld.

Oorlogsleed

Sinds de Sint-Elooiskerk in december 1884 plechtig werd ingewijd is ze niet altijd van schade en onheil gespaard gebleven. Zoals we elders al schreven rezen reeds tijdens het bouwen van de kerk twijfels over de stabiliteit. Kort na de afwerking deden zich verzakkingen voor in de vloer en verschenen er barsten in muren en gewelven. De problemen werden toegeschreven aan de slechte bodemgesteldheid en onvoldoende fundering. Na heel wat onderzoekswerk duurde het tot 1905 eer de nodige herstellings- en versterkingswerken waren voltooid. Sindsdien heeft de kerk onveranderd standgehouden.
In 1938 werd de stabiliteit van het gebouw op de proef gesteld toen BelgiŽ op 11 juni werd getroffen door een aardschok, de zwaarste die in de twintigste eeuw in ons land is voorgekomen. De enige schade aan de kerk was dat de marmeren gedenkplaat van de eerstesteenlegging uit de muur viel en in stukken brak. Twee dagen voordien was de kerktoren overigens wel beschadigd geraakt door een blikseminslag.

Rond 11 november gaan onze gedachten vooral terug naar de twee wereldoorlogen die in de twintigste eeuw gewoed hebben. Ook op de Sint-Elooiskerk hebben ze hun sporen nagelaten. Telkens werd de kerk zwaar beschadigd en sneuvelden de brandglasramen. In 1943 werden de klokken door de Duitsers weggehaald.

Veel erger dan de materiŽle schade was echter het menselijk leed dat door de oorlogen werd aangericht. In de eerste wereldoorlog vielen ook onder de Overleienaars veel slachtoffers. De gedenksteen die in 1920 aan de voorgevel van de kerk werd aangebracht houdt hun herinnering levend. Het gedenkteken werd bekostigd door een algemene inschrijving in ieder huisgezin van Overleie. De prospectus die bij die gelegenheid werd gedrukt vermeldt de namen van zesentwintig soldaten, achttien opgeŽisten en zesenzestig burgers.

De ellende die de begindagen van de tweede wereldoorlog veroorzaakte werd treffend beschreven in het Liber Memorialis, een boek waarin de pastoors de belangrijkste gebeurtenissen op hun parochie noteerden. De toenmalige pastoor Alfons Tanghe schreef over de meidagen van 1940:

"Onze parochie werd overrompeld door veel menschen uit alle streken van het land, aan het vluchten vůůr het oprukkende duitsche leger. (Ö) De kerk bleef dag en nacht open en lag vol slapers die 's morgens verderop trokken met hun ellendig pakje en aanstonds vervangen werden door andere vluchtelingen. (Ö) Op onze parochie werden 18 menschen gedood. Veel gekwetsten lagen in het patronaat der Broeders. (Ö) Toen we uit de kelder kwamen was het een erbarmelijk schouwspel (Ö) Langs de Brugge steenweg en de Elisabethlaan waren veel huizen vernield. In de kerk was een obus gedrongen aldoor de kas gebruikt door de misdienaars. De eiken deur in de kerk werd stuk geslagen en het altaar van O.L.V. was erg geschonden. Een ander granaat was onder in de muur al den kant der onderpastorij in den grond gedrongen, zonder te ontploffen, hij bleef er steken daar deskundigen verklaarden dat er geen schade kon van voortkomen. In de pastorij werd de groote voordeur stuk geslagen en de granaatstukken waren gevlogen tot in de achtermuur v. d. keuken. Twee Belgische soldaten lagen dood in den gang. In de kerk waren ook al de ramen deerlijk geschonden. Kerk en pastorij werd erg beschadigd."

Ook het einde van de tweede wereldoorlog was rampzalig voor Overleie. Op 26 maart 1944 werd Kortrijk gebombardeerd. Een bom sloeg in op het klooster in de Recollettenstraat. De zusters die in de kapel waren voor het avondgebed werden bedolven onder het puin. Negen van de twaalf zusters kwamen om het leven. Ook elders waren er slachtoffers. Op 21 juli 1944 was er opnieuw een zware luchtaanval, waarbij drieŽntwintig parochianen het leven lieten.

Het zijn zwarte bladzijden in de geschiedenis van onze parochie, maar het zijn bladzijden die we eigenlijk niet mogen omslaan. We moeten ons blijven herinneren wat oorlogen aanrichten, zodat we ook blijven streven naar een wereld waarin ooit deze droom werkelijkheid wordt: nooit meer oorlog.